H. Adelbert van Egmond
De feestdag van de heilige Adelbert van Egmond, overleden rond 740, valt op 25 juni. Eigenlijk weten we heel weinig feiten over deze heilige: het zijn vooral legendes. Hij was een koningszoon die wordt geboren ergens in de 7de eeuw. Zijn vader heette Edilbert en was koning van Sussex. Zijn opvoeding wordt toevertrouwd aan abt Egbert van een Iers klooster. Deze abt verlangt ernaar om weg te trekken van het klooster om in den vreemde zijn geloof te verkondigen. Rond het jaar 690 probeert hij per schip over te steken naar het vasteland, maar door een storm wordt hij op de kust teruggeslagen. Dat beschouwt hij als een vingerwijzing van God: hij moet niet zelf op zwerftocht gaan, maar leerlingen opvoeden met hetzelfde ideaal. Daaraan wijdt hij de rest van zijn leven. Het is tenslotte zijn meest bekende leerling Willibrordus die met twaalf gezellen, onder wie Adelbert, de oversteek waagt naar het vasteland, het onbekende tegemoet.
De opdracht van beide missionarissen is dezelfde: de bewoners van de Noordelijke Nederlanden zover krijgen dat ze hun Germaanse goden opgeven omwille van Christus. Willibrord stoot door naar Utrecht, maar Adelbert blijft dichter bij de Noordzeekust. Hij bouwt een kerkhut in of bij het huidige Egmond en zuivert daar het hele gebied van alle afgoderij. Hij is dan ook de schutspatroon van de plaats Egmond.
Over de heilige Adelbert en de naam 'Egmond' bestaan een aantal legendes. Een daarvan vertelt dat de oorsprong van die naam ligt in de opdracht van de Adelbert. Na zo'n vijftien jaar bekeringswerk in de streek constateert hij met tevredenheid: "haec munda sunt", "deze hier zijn gezuiverd". 'Haec munda' zou later gespeld zijn als 'Haegemunda', de Latijnse naam voor 'Egmond'.
Een ander verhaal legt verband met een man met wie Adelbert bevriend raakte, Eggo genaamd. Adelbert zou Eggo's zoon hebben gedoopt, waarop Eggo hem de zorg toevertrouwt voor diens opvoeding. Tijdens een maaltijd bij Eggo thuis geeft Adelbert aan zijn vriend te kennen dat hij voor enige tijd naar Engeland terug moet. Eggo's droefheid is groot en hij vraagt: "Zullen we u dan nooit meer terugzien, vader?" Adelbert die juist aan een appel is begonnen, snijdt de vrucht in vieren en verzamelt de pitten. Hij werpt ze in de richting van het haardvuur en zegt: "Op het moment dat uit deze pitten een nieuw boompje is gegroeid, zal ik in jullie midden terugkeren." Niet lang daarna brandt het huisje van Eggo af en op die plek schiet enige tijd later een appelboompje op. Vijf jaar later, juist als het boompje in volle bloei staat, verschijnt Adelbert weer op het strand. Egmond zou dus de naam te danken hebben aan deze Eggo.
Adelbert zou op tamelijk hoge leeftijd gestorven zijn. Over de plaats waar men hem begraaft, zijn in de loop van de tijd een hele reeks wonderverhalen opgetekend. Zo verschijnt hij twee eeuwen na zijn dood aan de non Wilfsit en geeft haar de opdracht om zijn stoffelijke resten te vereren. Op haar aandringen worden de botten opgraven en bij deze werkzaamheden ontstaat een geneeskrachtige bron: de 'Adelbertusput'.
Later verrijst daar een Benedictijner abdij die zich in de Middeleeuwen ontwikkelt tot een belangrijk religieus en cultureel centrum in Holland, met een omvangrijke bibliotheek. In 1573 wordt de abdij op bevel van Willem van Oranje verwoest door de Geuzen en de relieken van Adelbert gaan verloren. Pas in 1935 wordt begonnen met de herbouw van het klooster: de huidige Adelbert-abdij van Egmond.
Het ideaal van de monniken die uit Ierland kwamen was de wijde wereld in te trekken om het evangelie te verkondigen. Met gevaar voor eigen leven. Het missionarissenleven zoals dat tot in de vorige eeuw ook in Nederland nog volop leefde.
Eropuit trekken, alles op het spel zetten voor een innerlijke roep van God, is een oude Bijbelse gewoonte. Ook onze aartsvader Abraham wordt al de wijde wereld ingestuurd door Gods oproep: "Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen." Zoals Abraham en Adelbert, hebben veel Nederlandse paters, broeders en zusters gedaan.
In de loop van de vorige eeuw is hun aantal drastisch teruggelopen. Zo ook het aantal kerkgangers. We weten hier in Nederland niet zo goed meer wat we met het geloof moeten. Wie of wat is God precies? Bestaat die eigenlijk wel? En zo ja, vind je God dan in de kerk, of moeten we in onszelf zoeken? Daar zit de grote omslag van onze tijd. Vroeger zocht men God in de kerk, in de heilige mis, in de sacramenten en tegenwoordig veel meer in zichzelf. Dat betekent ook dat we zelf zijn gaan bepalen wat we geloven en hoe we geloven. We houden ons niet aan één traditie, we kiezen zelf de rituelen en de teksten. En dat is eigenlijk wel zo mooi, denken velen. Daar is een term voor: de relimarkt. Zoals in een supermarkt laad je je karretje vol met precies datgene waar je trekt in hebt. Zo winkel je zelf je spirituele kostje bij elkaar. Het kan zijn dat daar helemaal geen gevaar in schuilt. Maar zoals het niet gezond is om alleen maar dingen te eten die je lekker vind, is het de vraag of je religieus een erg evenwichtig dieet krijgt als je steeds alleen maar die dingen uit allerlei religies en overtuigingen pikt die je wel leuk lijken. Dan wordt het al snel zoiets als 'alle dagen taart'.
Ik denk dat het daarom heel verstandig is om je bij één bepaalde traditie te houden. Een traditie met een kerkelijk jaar beschermt je namelijk tegen eenzijdigheid. Het laat je door het jaar heen allerlei verschillende aspecten van het geloof en van het leven zien. Het lijden van de goede week en de vreugde van de overwinning van de dood met Pasen, de verwachting van de Advent en het wonder van de geboorte met Kerst. Omdat je niet op ieder moment zelf bepaalt in wat voor onderwerp je nu weer eens zin hebt, word je buiten je eigen kleine aandachtswereldje getrokken. Die afwisseling, dat jaarritme, voorkomt dat je alleen nog maar naar je eigen navel aan het staren bent.
Iemand als Adelbert is heel ver gegaan om anderen te overtuigen van de rijkdom van onze traditie. Zover zullen de meesten van ons niet gaan. Maar misschien zijn wij die hier in Nederland nog vasthouden aan onze eigen traditie ook wel een soort missionarissen geworden. Weliswaar lopen we niet hetzelfde gevaar als een Adelbert. Ook gaan de meesten niet de boer op om het geloof te verkondigen. Toch is het goed als we hardnekkig blijven komen naar plaatsen als deze kapel of de parochiekerk. Als wij niet onder stoelen of banken steken dat wij in onze traditie iets vinden. Iets dat eeuwigheidswaarde heeft, ondanks alle vreselijke misstappen in het groot en geklungel in het klein.
Het is goed als wij trouw blijven aan de God van Abraham en Jezus en Maria en Adelbert. Als wij belijden dat God van mensen houdt, geloven dat Hij aan het licht is gekomen in het leven van Jezus van Nazareth, en hopen dat wij zelf ook iets van die God kunnen laten zien door de manier waarop wij leven en met anderen omgaan. Als we blijven opkomen voor een levensstijl die zegt dat je moet zorgen voor mensen in nood, die zegt dat ook kleine mensen ertoe doen, dat we respect moeten hebben voor elkaar, dan helpen we voorkomen dat God monddood wordt gemaakt in deze wereld.
