De Heilige Elisabeth van Hongarije

elisabeth

De feestdag van Elisabeth van Hongarije, of ook wel Elisabeth van Thüringen, is op 17 november. Ze was een koningsdochter, geboren in 1207 als derde dochter van Andreas II van Hongarije. Al op vierjarige leeftijd wordt beslist dat ze zal trouwen met de oudste zoon van de landgraaf van Thüringen. Dus verhuist ze naar het kasteel op de Wartburg, eigendom van de landgraaf, en wordt vanaf die tijd opgevoed aan het Thüringse hof. Wanneer de beoogde bruidegom sterft in 1216, wordt ze bestemd om de toekomstige bruid van zijn broertje Lodewijk te worden.
Ze trouwen als Lodewijk 21 is en Elisabeth pas 14. Ondanks het opgelegde karakter van deze verbintenis schijnt het een goed huwelijk te zijn geweest. Het paar krijgt drie kinderen, twee dochters en een zoon. Als adellijke echtgenote houdt Elisabeth zich vooral bezig met liefdadigheid. Dat was op zich niets bijzonders; het was een vrij normale tijdsbesteding voor rijke dames in die tijd. Wel is het opmerkelijk dat Elisabeth zelf zo sober mogelijk leeft. Zo weigert ze bijvoorbeeld haar kroon te dragen, loopt rond in ruwe wollen kleren en eet zo bescheiden mogelijk.
Nog opvallender is haar heel eigen visie op armenhulp. In plaats van de willekeur van de liefdadigheidswerken van de rijken, nu eens hier en dan weer daar, verlangt ze naar een 'systeem van rechtvaardigheid'. Zo deelt ze bijvoorbeeld behalve eten en aalmoezen ook werktuigen uit aan de armen zodat ze in hun eigen bestaansonderhoud kunnen voorzien.
Tijdens een hongersnood in 1226 laat ze al het beschikbare koren uitdelen en stelt geld uit de staatskas ter beschikking. Haar schoonfamilie kan het niet waarderen en werkt haar zoveel mogelijk tegen, maar haar echtgenoot geeft haar alle steun. In die tijd bakt ze zelf brood en deelt het uit aan de hongerigen. Volgens een legende wordt ze op een dag als ze op weg is met het brood voor die dag tegengehouden door de graaf. Wanneer hij haar dwingt om haar schort te openen, vallen er in plaats van broden alleen maar rozen op de grond.
Na 6 jaar komt er een dramatisch einde aan het huwelijk. Lodewijk sterft in 1227 aan de pest tijdens een kruistocht naar het Heilig Land. Elisabeth is pas 20 en inverdrietig. Daarbovenop wordt ze door andere adellijken beroofd van de bezittingen waarop ze als weduwe recht heeft en ze moet het hof verlaten.
Ze zwerft een tijd rond en moet soms zelfs slapen in een stal. Ze treedt toe tot de derde ordebeweging van Franciscus. Uiteindelijk komt ze, gekleed in grijze pij, terecht in Marburg. Ze laat met haar laatste geld een ziekenhuis bouwen en besteedt al haar tijd en aandacht aan de ziekenzorg. Door slechte voeding en het keihard zwoegen in het ziekenhuis sterft ze als ze amper 24 jaar oud is.

Elisabeth wordt gezien als het klassieke voorbeeld van de christelijke naastenliefde. Het belangrijkste gebod, volgens de Bijbel, is dat van de naastenliefde: "Heb de Heer uw God lief, en uw naaste gelijk uzelf". Als je dat doet, zul je eeuwig leven krijgen, volgens Jezus in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Met eeuwig leven wordt overigens niet bedoeld dat je een ereplaatsje krijgt in de hemel na je dood. Eeuwig leven is in de Bijbel eerder leven dat zich niet klein laat krijgen door de dood.
Om dat eeuwig leven te vinden in jezelf, moet je drie dingen doen legt Jezus uit in de parabel van de barmhartige Samaritaan: God liefhebben, van je naaste net zoveel houden als van jezelf. Dus niet minder, ook niet meer. Je hoeft niet jezelf totaal weg te cijferen voor de ander. Je mag ook van jezelf houden. Maar die liefde voor jezelf zou niet ten koste moeten gaan van anderen, en van God. Want, zegt dit belangrijkste gebod: je moet helemaal niet bezig zijn met dat onderscheid. Je moet helemaal niet zo duidelijk een grens trekken tussen die drie zaken. Niet: daar is God, hier ben ik en dat is iemand anders. Je moet het meer zien als een geheel. Het verhaal van mensen zou eigenlijk niet bij ik moeten beginnen. Het moet beginnen bij liefde, bij eenheid bij samenzijn, met God én met mensen. En pas daarna kan het op een goede manier gaan over ieder apart.
Het is voor mensen in onze tijd, waarin we het zo gewoon vinden om bezig te zijn met onszelf, heel erg moeilijk om niet te denken in termen van ik en jij, maar in termen van wij. Eerst wij, de verbondenheid van mensen, en dan pas dat ieder voor zich ook nog een individu is. Als je dat begrepen hebt, dan begrijp je de rest van de parabel van de barmhartige Samaritaan ook beter. En dan krijgt de vraag van de wetgeleerde in het tiende hoofdstuk van het Lucas-evangelie 'wie is mijn naaste?' ineens een nare bijklank. Je kiest niet iemand uit en zegt: 'jij bent goed genoeg of aardig genoeg om mijn naaste genoemd te worden'. Nee, de vraag moet je omdraaien volgens Jezus, namelijk 'van wie ben ik in mijn leven de naaste geworden?'
Dus wordt het de vraag met welke mens ben ik zo liefdevol, zo fatsoenlijk, zo zorgzaam omgegaan, dat ik oprecht kan zeggen: ik heb die mens behandeld zoals ik zelf behandeld zou willen worden. Hij of zij is voor mij iemand die even belangrijk is als ik, iemand die onderdeel uitmaakt van het grote geheel dat de wereld van, of misschien wel de wereld in, God is.