De Heilige Francesca Romana
Francesca wordt geboren in 1384 in Rome. Haar ouders zijn rijke, vrome edelen. Wanneer ze echter op elfjarige leeftijd aankondigt dat ze het klooster in wil, zoeken ze vliegensvlug een man voor haar. Al op dertienjarige leeftijd wordt ze uitgehuwelijkt aan Lorenzo Ponziano, ook rijk, ook van adel. Het schijnt een vriendelijke jongeman te zijn geweest, maar Francesca zit in zak en as: ze wilde tenslotte helemaal niet trouwen. Zo wordt ze op een dag huilend aangetroffen door haar nieuwe schoonzusje, getrouwd met Lorenzo's oudere broer Paluzzo. Als die haar vraagt waarom ze huilt, vertrouwt Francesca haar toe dat ze eigenlijk gekozen had voor een leven als kloosterlinge. Tot haar verrassing blijkt dat haar schoonzusje hier ook altijd van gedroomd heeft. De twee meisjes worden hartsvriendinnen en besluiten om samen, getrouwd en wel, een biddend leven te leiden en voor armen en zieken te gaan zorgen.
In 1400, op 16-jarige leeftijd, krijgt Francesca haar eerste kind: een zoon, ze noemt hem Battista en een paar jaar later worden ook Evangelista en Agnes geboren. In 1408 vallen de troepen van Ladislaus van Napels Rome binnen met de bedoeling om een andere paus in het zadel te helpen. Omdat de familie de zittende paus steunt, raakt Lorenzo betrokken bij de gevechten en wordt neergestoken. Hij geneest dankzij Francesca's goede zorgen, maar enige tijd later moet hij uit Rome vluchten voor nieuwe aanslagen. Zijn tegenstanders nemen de oudste zoon, Battista, gevangen, maar ook hij weet te ontsnappen en vlucht naar zijn vader. De bezittingen van de familie worden vernield, de huizen geplunderd, het vee geslacht en het personeel vermoord. De twee schoonzussen blijven achter met de twee kleine kinderen in de ruïnes van het huis. Ze proberen te overleven en de andere slachtoffers bij te staan.
Korte tijd later breekt de pest uit en ook Evangelista sterft. Francesca is in diepe rouw. Ze moet het nu stellen zonder haar man en haar beide zonen. Moedig richt ze toch een deel van haar huis in als ziekenhuis. Het blijkt dan dat ze de gave heeft om mensen te genezen door gebed. De patiënten komen van heinde en verre.
Wanneer Francesca een jaar na de dood van Evangelista voor hem zit te bidden, is er plotseling een helder licht in de kamer. De jongen verschijnt aan zijn moeder in het bijzijn van een beschermengel. Ze brengen haar het slechte nieuws dat zijn zusje Agnes binnenkort ook zal sterven. Agnes is op dat moment nog gezond, maar overlijdt binnen het jaar.
Pas na 6 jaar (1414) komen Lorenzo en Battista terug uit hun ballingschap. Lorenzo ziet de diepe religieuze bewogenheid van zijn vrouw en staat haar toe om een derde orde beweging te beginnen voor vrouwen, verbonden met de Benedictijnen van Monte Oliveto. Ze noemen zich de Oblaten van Maria. 7 jaar later besluiten ze een huis op te richten om als gemeenschap te kunnen wonen. Ze kiezen daarvoor een oud gebouw dat bekend is onder de naam Tor de' Specchi. Vanaf dat moment gaat men ze de Oblaten van Tor de' Specchi noemen. Francesca is er vaak te vinden maar ze blijft bij haar man wonen. Pas na zijn dood trekt zij zich daar terug.
Op 9 maart 1440, op haar sterfbed, begint Francesca's gezicht te stralen met een wonderlijk licht. Haar laatste woorden zijn: "De taak van de engel zit erop. Hij wenkt en wil dat ik hem volg". Ze wordt begraven in de Mariakerk die later naar haar genoemd zal worden.
Na die eerste verschijning is er altijd een beschermengel bij Francesca gebleven. Het was voor haar zoals het staat in Psalm 91: "Hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild". Bij je beschermengel ben je veilig, waar je ook gaat of staat. Een beschermengel behoedt je en laat je niet verdwalen. Het woord 'engel' komt van het Griekse angelos dat bode betekent. Een engel is een bode van God. Maar God stuurt niet een bode zoals een koning een bode stuurt, of zoals een bedrijf een vertegenwoordiger stuurt. Wanneer een engel van God verschijnt, is het niet een of andere bediende uit Gods hofhouding. Een engel is niet een zelfstandig wezen met een eigen wil en eigen macht. Het is God zelf die tot je komt in de engel.
Een engel is Gods troost aan mensen. (Je zit in zak en as en opeens ervaar je iets van medeleven.) Een engel is Gods stille adem die over een mens komt. (Je zit je zorgen te maken, op te winden en opeens komt er een zalige rust over je.) Een engel is Gods eigen kracht aan mensen. (Je hebt opeens de moed om een moeilijke beslissing te nemen.) Een engel is Gods vreugde in mensen. (Je voelt je gelukkig en je krijgt het gevoel dat God met je mee jubelt.) Een engel is ook Gods oproep aan mensen. (Zoals Maria bezoek kreeg van een engel, voel je op momenten in je leven heel duidelijk de drang om je in te zetten voor Gods wereld, gehoor te geven aan Gods roep om erbarmen.)
Wanneer je Gods nabijheid bijna lichamelijk ervaart, als God zichtbaar, hoorbaar, tastbaar dichtbij komt, spreekt onze traditie van engelen. Zoals psalm 91 zegt: "God vertrouwt je toe aan zijn engelen die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen". Het zijn Gods engelenhanden die ons dragen, Gods engelenvleugels om ons heen, Gods engelenvinger die ons de juiste weg wijst.
Het is God zelf die ons altijd nabij is. Dat wil niet zeggen we Gods nabijheid altijd kunnen voelen. Daarvoor moet je je openstellen. Want het is met God als met een engel: Hij strijkt langs je wang, maar als je hem wegduwt zal hij je niet dwingen. Van Francesca kunnen we leren dat openheid voor God niet betekent dat je dag in dag uit in een klooster moet zitten bidden. Je hoeft je niet terug te trekken uit de wereld. Je kunt gewoon een partner hebben, kinderen en kleinkinderen, vrienden en kennissen. Je mag het leven ten volle leven, maar je moet wel je open durven stellen voor Diegene die je dat leven heeft gegeven. Pas als je de dieptelaag van het leven durft te zoeken, zul je ervaren dat God zijn engelenvleugels al vanaf je eerste levensdag om je heen geslagen heeft.
