De Heilige Martelaren van Gorcum

thomas

Het drama van de Martelaren van Gorcum speelt zich af ten tijde van de opstand tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog. Er woedt een strijd voor onafhankelijkheid, waar allerlei religieuze motieven doorheen lopen. De breuk tussen de katholieken en de protestanten wordt steeds dieper.
De Beeldenstorm raast in 1566 door de Nederlanden. De protestanten vinden dat het voor eens en voor altijd gedaan moet zijn met al die heiligenafbeeldingen overal in katholieke kerken. Afgoderij, zo menen ze. In 1567 stelt de hertog van Alva de gehate Raad van Beroerten in, die de opstandelingen en beeldenstormers streng berecht. Er vinden grootscheepse martel- en moordpartijen plaats onder christenen. De katholieke Spanjaarden vermoorden onder leiding van Alva protestanten en de protestanten nemen wraak door katholieken, die worden beschouwd als de handlangers van de Spanjaarden, af te slachten.
Op 1 april 1572 neemt een leger van watergeuzen o.l.v. baron Willem II van Marck, heer van Lummen, de havenstad Den Briel in. Door dit succes krijgt de opstand voet aan de grond in de Noordelijke Nederlanden. Kloosters worden gesloten. In verschillende plaatsen worden religieuzen vermoord. Vooral de clerus is het mikpunt van de geuzen. Veel priesters zoeken daarom een veilig heenkomen als de geuzen in aantocht zijn.
Wanneer ze in juni ook de macht krijgen over Gorcum, laat de heer van Lummen 19 geestelijken gevangen nemen, 11 franciscanen, 2 norbertijnen, 1 dominicaan en 5 wereldheren. Op 5 juli 1572 worden ze per vrachtschuit naar Brielle vervoerd. Hij laat ze martelen in een poging om ze hun geloof af te laten zweren. Hij eist dat ze een aantal typisch katholieke zaken ontkennen: het primaat van de paus en de transsubstantiatie (wat katholieken gedenken tijdens de consecratie: het aanwezig komen van Christus in brood en wijn).
De gevangenen weigeren en in de nacht van 9 juli worden ze even buiten Brielle naar een klooster gebracht dat al sinds april gesloten is. Ze worden opgehangen aan de balken van de turfschuur. Hun lichamen worden in een massagraf gegooid. Omdat een familielid van een van hen de gebeurtenissen van dichtbij heeft meegemaakt en er een boek over heeft geschreven, is van al deze mensen naam, leeftijd en achtergrond bekend. Meestal worden ze echter herdacht als één groep: de martelaren van Gorcum.
Ze zijn heilig verklaard in 1867. Katholieken hebben de grond gekocht en er een houten kapel gebouwd met een binnenplaats, het zgn. martelveld. In 1932 is er op het martelveld een stenen kerk gezet. In de kerk staat een reliekschrijn met beenderen van de martelaren. Het is nog altijd een bedevaartplaats.

Godsdienstoorlogen, vermengd met economische motieven, zijn zo oud als de mensheid, zou je bijna denken. In het Bijbelverhaal van Jezus met de Samaritaanse bij de put (Joh 4) breekt Jezus dwars door alle grenzen van twee geloofsgroepen heen. Het Bijbelverhaal begint met allerlei onenigheid en onderliggende tegenstellingen kort te noemen: mensen vragen zich af wie de meeste aanhangers heeft: de club van Johannes de Doper of die van Jezus. De Farizeeën worden genoemd en die zijn er zoals altijd op uit om Jezus aan te klagen.
Het verhaal zelf speelt in Samaria. De Samaritanen en de Joden gingen ook niet zo best samen. Als de Joden uit Galilea naar Jeruzalem trokken voor een van de feesten in de tempel, was de kortste weg door Samaria. Toch liepen ze meestal kilometers om. Dit was om te voorkomen dat de Samaritanen ze lastig vielen en probeerden te verhinderen dat ze op tijd bij de tempel in Jeruzalem waren. Het is precies zoals de vrouw bij de put zegt: "Joden willen niks te maken hebben met de Samaritanen". De reden is onenigheid over wat precies de juiste plaats is om God te aanbidden. Volgens de Joden in de tempel in Jeruzalem en volgens de Samaritanen op de berg Gerizim.
Jezus wil een streep zetten door al die tegenstellingen. Hij zegt: "Geloof me, er komt een tijd dat men niet op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden, maar in de geest en waarheid. Dat zijn de aanbidders waar God naar uit ziet". Hij probeert duidelijk te maken dat geloof in God boven de onderlinge verschillen van godsdiensten uitgaat. Geloof in God gaat niet over waar je bidt, hoe je bidt en hoe je je God voorstelt. In God geloven betekent een bepaalde levenshouding, en bepaalde manier van met elkaar omgaan, elkaar accepteren, proberen elkaar te waarderen over alle verschillen en strijdpunten heen.
Die boodschap lijken wij zo'n 2000 jaar later nog steeds niet te begrijpen. Weliswaar leggen wij de streep meestal niet meer tussen protestanten en katholieken - de tijd van de martelaren van Gorcum ligt achter ons - maar de tijd van de godsdienstoorlogen nog lang niet. Tegenwoordig zijn het de moslims waar we ons tegen afzetten en zij tegen ons. Nu gaat het niet over de tempel tegenover de berg, maar de kerk tegenover de moskee, of de westerse cultuur tegenover de oosterse, de blote benen en borsten tegenover de hoofddoekjes. We leggen de grens steeds ergens anders, maar het lijkt voor mensen moeilijk om te leven zonder anderen uit te sluiten. Het lijkt alsof we alleen maar bij elkaar horen doordat we een gemeenschappelijk vijand creëren. We willen altijd maar "wij tegen zij" en daarbij zijn wij de "goeien" en zij de "kwaaien".
Maar, zo probeert Jezus in Joh 4 duidelijk te maken, dat is een manier van leven die niet in lijn is met geloven in één God. Of je God zoekt in de kerk of in de moskee, op een berg of in een tempel, of je Hem God noemt of Allah, Vader of Moeder; waar het om gaat is dat je God vindt in een gevoel van eerbied en respect voor alle mensen, voor al wat leeft. Geloven in één God, betekent geloven dat wij allen voortkomen uit één bron die Goedheid is. Eén God die iedere mens liefheeft, op ons allen hoopt en wacht. Eén God die ons bidt en smeekt om het goed te maken voor elkaar en met elkaar, hier op deze aarde. Deze ene God huilt als mensen elkaar te lijf gaan over de vraag wie de beste God heeft. Er is maar één God en die vraagt ons om in Zijn Geest één te zijn met elkaar.