Maria Lichtmis

maria lichtmis

Aan het einde van de 4e eeuw schrijft een zekere Egeria in haar verslag over haar bedevaart vanuit Zuid-Frankrijk naar het Heilige Land:

"De 40e dag na Kerst wordt hier met zeer grote luister gevierd. Op die dag is er een processie naar de kerk van de Opstanding. Allen gaan daarheen en alles wordt met de grootst mogelijke feestelijkheid gevierd, net als op Pasen. Gepreekt wordt over de tekst in het Evangelie, waar Jozef en Maria de Heer op de 40e dag in de tempel brengen en Simeon en Hanna hem zien".

In de 5de eeuw wordt aan die feestelijke viering een processie toegevoegd die in de loop van de tijd een lichtprocessie wordt, voorafgegaan door een wijding van kaarsen en fakkels. Met kaarsen en fakkels in de hand begeleidt men als het ware de moeder Maria die met het kind Jezus naar de tempel gaat.
Volgens de Joodse wet word je onrein o.a. als je met bloed in aanraking komt. Dat betekent voor vrouwen dat ze maandelijkse een aantal dagen onrein zijn, maar ook voor langere tijd na de geboorte van een kind. Zo komt het dat Jozef en Maria zich melden in de tempel in Jeruzalem met hun baby van 40 dagen om zich te laten reinigen. In het oudtestamentische boek Leviticus hoofdstuk 12, vers 6 staat de procedure beschreven:

Wanneer, na de geboorte van een zoon of dochter, de dag van haar reiniging is aangebroken, moet zij de priester bij de ingang van de tent van samenkomst een lam van nog geen jaar als brandoffer aanbieden, en een duif en een tortel als zondeoffer.

Deze gebeurtenis is door de eeuwen heen uitgegroeid tot het feest dat wij "Maria Lichtmis" noemen. Deze feestdag heeft in de loop van de tijd meerdere namen gehad: de presentatie van de Heer Jezus in de tempel, de zuivering van de heilige Maria, en de meest opvallende: de geboortedag van Simeon.
Simeon is een hoogbejaarde man, zo lezen we in het evangelie van Lucas, die al vele jaren leeft in de hoop dat hij de Messias zal zien voordat hij sterft. Hij is stokoud, maar toch niet met zijn dood bezig, maar met het leven. Vooral het leven van zijn volk. Vol verlangen ziet hij uit naar de dag dat heel Israël het licht van God zal zien. Dagelijks bidt hij in de tempel dat hij het nog tijdens zijn leven mag meemaken: de doorbraak van God in de mensenharten en mensenharten die opengaan voor God.
Op het grote tempelplein is het een komen en gaan van mensen. Simeon groet iedereen van ganser harte. Hij wenst iedere mens die hij tegenkomt toe dat het hem of haar goed mag gaan en dat men in de tempel de nabijheid van God mag voelen. Simeon kijkt vooral kinderen in de ogen, in de hoop dat ene kind te ontdekken dat in alles straalt van Gods verlossende aanwezigheid en dat ten volle de mildheid, de barmhartigheid en de menslievendheid van God uitademt. Zo vult Simeon zijn oude dag.

De oude dag. Dat is een heel bijzondere fase in het leven. In de jeugd ben je avontuurlijk en fladder je van hot naar her. Daarna, als je volwassen bent en begint te werken, bouw je aan een huis, aan vaste relaties, aan een gezin; daar word je volledig door in beslag genomen. Tegen je vijftigste worden weer andere dingen belangrijk. Je hoeft je niet meer zo waar te maken, er komt meer rust en kalmte in het leven; de kinderen zijn de deur uit. Je hebt weer tijd om verder te kijken dan je eigen leventje. Uiteindelijk word je oud, misschien wel hoogbejaard. Dan kom je in de laatste fase van het leven. Andere dingen worden nu belangrijk. Je bent niet meer bezig met hebben en houden, maar met opengaan. De oude dag is een tijd van opengaan voor God.
Dat zien we ook gebeuren bij Simeon. Hij denkt met God mee, hunkert met God mee, leeft met God mee. Hij ziet uit naar de dag waarop het echt waar wordt: heil en vrede voor alle mensen, voor het volk van Israël en voor alle volken.
Kun je met dat verlangen heel de dag, heel je oude dag vullen? Volgens Simeon wel. Hij laat de zorgen en de vreugde van mensen die hij op het tempelplein ontmoet, doordringen tot in zijn hart. Hij brengt die zorgen en die vreugde voor het aanschijn van God. Hij bidt met een open geest. En daarin voelt hij Gods nabijheid.
En dan ontmoet Simeon Jezus. Hij begint te zingen en te jubelen, neemt Jezus in zijn armen en bidt met de prachtige woorden:

"Nu kunt Gij, Heer, volgens uw woord,
uw dienstknecht laten gaan in vrede;
daar ik met eigen ogen heb aanschouwd uw heil,
dat Gij onthult aan alle volken.
De heidenen een openbarend licht,
en heerlijkheid voor Israël, uw volk".

Simeon kan nu in vrede sterven, want hij is er zeker van dat mensen getroost en bemoedigd zullen worden. Dat maakt hem gelukkig. Hij is nergens meer bang voor, zelfs niet voor de dood, want hij voelt in alles Gods reddende nabijheid.Toch is Simeon geen wereldvreemde dromer. Het nieuwe leven zal niet zomaar doorbreken, zegt hij aan Maria. Haar kind zal een teken zijn dat weersproken wordt. Velen zullen liever verder gaan met hun oude vertrouwde levenswijze: alleen aan zichzelf denken, de baas over anderen spelen, zoveel mogelijk geld binnenhalen, anderen laten stikken. De afwijzing van Jezus zal voor Maria voelen als een zwaard dat door haar hart gaat. Desondanks geeft Simeon de moed niet op, want in Jezus is God definitief aan onze kant gaan staan. Wij kunnen ons leven en zelfs ons sterven rustig aan God toevertrouwen. En als ons dat lukt, zullen ook wij een licht voor de wereld zijn.