De heilige apostelen Simon en Judas

agnes

28 oktober is de feestdag van de heilige apostelen Simon de Zeloot en Judas Taddeüs. Zoals de heilige Rita, zijn ook Simon en Judas patroon van de hopeloze gevallen. De achtergrond hiervan is voor Judas waarschijnlijk zijn naam die hetzelfde is als die van de Judas die Jezus verraden heeft. En Simon is de patroon van de hopeloze gevallen omdat hij ijverde voor de hopeloze zaak om Israël te bevrijden van de Romeinse overheerser. Behalve patroon van de hopeloze gevallen is Simon ook de patroon van de pantoffelhelden, van mannen die te lijden hebben onder hun bazige echtgenotes. Er zijn bepaalde volkswijsheden ontstaan rondom Simon en onderdrukte mannen. Zo zou een vrouw die op de feestdag van de H. Simon eerder opstaat dan haar man het hele jaar de baas zijn.

Twee apostelen: Simon de Zeloot, dat betekent de ijveraar, en Judas Taddeüs, dat betekent de moedige. Deze twee, de zeloot en de moedige, zouden misschien broers zijn geweest van Jezus. In het evangelie van Marcus staat namelijk over Jezus: "Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon?"(6,3). Andere bronnen beweren weer dat Jezus het enige kind van Maria was. We weten het niet. In ieder geval waren Simon de Zeloot en Judas Taddeüs twee mannen die dicht bij Jezus stonden en hem dierbaar waren. Of ze vriendschapsbanden of bloedbanden hadden is niet echt belangrijk.
Judas Taddeüs wordt in de traditie gezien als de schrijver van het nieuwtestamentische geschrift Brief van Judas. Hij komt in het evangelie maar één keer persoonlijk ter sprake en dan wordt uitdrukkelijk gezegd dat hij niet Judas Iskariot is, de Judas die Jezus heeft verraden. Hij heeft het grootste deel van zijn leven doorgebracht in Perzië. Daar is hij de marteldood gestorven door middel van een knots of een bijl. Zijn lichaam ligt volgens de overlevering begraven in de Sint-Pieter in Rome.
Simon de Zeloot behoorde tot een niet al te vast omlijnde groepering van Joden. Zeloten zagen zichzelf als 'ijveraars' voor de heiligheid van de naam van God. Dat hield voor hen concreet in dat zij geen heer boven zich wilden erkennen dan God alleen. De consequentie daarvan was dat zij het keizerlijk gezag (en de Romeinse overheersing in het algemeen) als godslasterlijk ervoeren. De keizer was geen god en had daarom geen zeggenschap over hen. Zij weigerden dan ook belasting te betalen. De meest extreme Zelotische beweging was die van de Sicariërs die met een dolk, sica in het Latijn, aanslagen pleegden op hooggeplaatste Joden die goede contacten onderhielden met de Romeinse bezetter. Simon heeft als prediker gewerkt in Egypte en Perzië. Hij zou ook doodgemarteld zijn, volgens de legende werd hij doormidden gezaagd.

Simon en Judas waren apostelen, leerlingen van Jezus van Nazareth. Dat betekende in ieder geval dat ze heel dicht bij Jezus stonden en hun gewone leventje hadden opgegeven om hem te volgen. Ze geloofden in zijn idealen en in zijn manier van leven. Maar toen ging het mis, althans daar leek het op. Hun leider stierf de slavendood aan het kruis. Hij had ze verteld van het Koninkrijk van God en Simon de Zeloot heeft toen misschien gedacht dat eindelijk de Romeinen het land uit zouden worden gegooid met speciale hulp van God. Eindelijk bevrijd van onderdrukking, hoge belastingen en discriminatie omwille van je geloof. Niks van dat alles. Van hun droom van een Rijk van God was vooralsnog niet veel terecht gekomen. De Bijbel vertelt van hun ontreddering. Jezus, hun geliefde vriend en leider, is gestorven en ze moeten alleen verder. Ze zijn totaal ontredderd.
Apostelen, en anderenheiligen, zijn ook maar mensen. Soms moedig en geïnspireerd. Dat zijn de momenten dat het leven wonderwel loopt, dat alles wat ze ondernemen lukt, dat ze wonderen kunnen verrichten. Soms zijn ze ook bang en terneergeslagen. Dan twijfelen ze aan zichzelf en aan elkaar. Dan weten ze niet hoe ze verder moeten en hebben ze onenigheid, bijvoorbeeld over de vraag wie er allemaal bij hun groep mogen horen: alleen Joden of ook heidenen?
Deze gewone mensen moeten het verhaal gaan vertellen aan de wereld over een man van wie ze soms helemaal niks begrepen, zelfs niet toen hij nog in levende lijve voor ze stond. Hoeveel verhalen zijn er niet in de Bijbel dat de leerlingen Jezus niet snappen, dat ze uitleg vragen, dat Jezus zucht over hun onbenul? Nu hij er niet meer is, moeten ze in zijn voetsporen volgen. Maar zoals dat gaat met voetsporen: ze vervagen met de tijd. De situatie is veranderd en ze moeten zich aanpassen aan nieuwe wetten en omstandigheden. Ze hebben hun menselijke geloof, hun trouw aan een man van wie ze hielden, hun gezonde verstand en wat inspiratie van tijd tot tijd en daar moeten ze het mee doen. Een nieuwe beweging beginnen, de Jezus-beweging, een groep die beweert dat de dood niet het laatste woord heeft, dat God je niet laat vallen aan het einde van je leven. Die beweert dat naastenliefde, goed zijn voor elkaar, belangrijker is dan al het andere in de wereld. Die beweert dat God onder de mensen aanwezig wil zijn: niet een ver-weg-heerser-God, maar een vader-God.
De apostelen geloofden in die man van Nazareth, in zijn manier van leven. Ze geloofden dat degene die hij aansprak met Vader, ook hun vader was. Zoals Christenen dat ook vandaag de dag nog doen. In onze geloofsbelijdenis staan de regel: ik geloof in één heilige, katholieke en apostolische kerk. Dat betekent dat wij geloven dat wij allen apostelen zijn van die kerk. Dat wij samen die kerk vormgeven. Dat wij samen, met vallen en opstaan, proberen in de voetsporen te treden van die man van Nazareth. En terwijl wij dat proberen zijn we net als de apostelen: soms geïnspireerd en soms in de war en ontredderd.