De Heilige Thomas, apostel
Thomas wordt omstreeks het jaar 0 geboren in Palestina aan het meer van Galilea. Hij is een arme visser die door Jezus tot apostel wordt benoemd. De eerste keer dat hij in de Bijbel in beeld komt als persoon, is in het elfde hoofdstuk van het evangelie van Johannes wanneer Jezus hoort van de dood van Lazarus in Bethanië. De leerlingen zijn behoorlijk zenuwachtig om erheen te gaan omdat Jezus daar nog niet zo lang geleden bedreigd is met steniging. Thomas toont zich dan een trouwe vriend en zegt: "Laten we ook maar gaan, dan kunnen we samen met Hem sterven".
We zien Thomas weer in het Johannes-evangelie wanneer Jezus zegt tot de apostelen: "Kinderen, nog maar kort zal ik bij jullie zijn. Dan zullen jullie mij zoeken, maar ik heb tegen de Joden gezegd: 'Waar ik heen ga, daar kunt u niet komen, en dat zeg ik nu tegen jullie'". Terwijl Petrus impulsief meer belooft dan hij kan waarmaken - "Waar gaat u dan heen? Waarom kan ik u niet volgen, Heer? Ik ben bereid zelfs mijn leven voor u te geven!" - verwoordt Thomas de verwarring van de leerlingen - "Maar Heer, we weten niet eens waar u heen gaat; hoe zou de weg ons dan bekend kunnen zijn?" Dan spreekt Jezus de ons vertrouwde woorden: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Alleen door mij heeft men toegang tot de Vader".
Thomas' vraag drukt de gevoelens uit van de apostelen, misschien wel van het overgrote deel van alle Christenen, ook vandaag de dag nog. We willen wel volgelingen van Jezus zijn maar we weten niet precies wat dat allemaal inhoudt. Daarmee lijkt Thomas vooral de eerlijkste leerling. Toch kennen wij hem als de ongelovige, vanwege dat bekende verhaal dat Jezus aan de leerlingen verschijnt terwijl Thomas er niet bij is. Hij weigert hen te geloven voordat hij zelf de wonden van Jezus heeft gezien.
Zo is er nog een verhaal overgeleverd over het ongeloof van Thomas in een tekst uit de 13de eeuw, de Legenda Aurea, van de schrijver De Voragine. Het vertelt van het sterven van Maria. De leerlingen leggen haar in het graf om er vervolgens getuige van te zijn dat ze in de hemel wordt opgenomen. Volgens die legende is Thomas ook dit keer afwezig en gelooft hij niets van het wonderverhaal, totdat Maria's gordel plotseling uit de hemel in zijn handen valt. Dan pas gelooft hij dat zij daar met lichaam en ziel is opgenomen. Deze gordel is lang in het bezit gebleven van de familie van Thomas, maar komt na heel wat omzwervingen (via erfgenamen en huwelijken) uiteindelijk terecht in Italië. In een feestelijke processie wordt die in 1365 de kathedraal van Prato in Toscane binnengebracht.
Volgens de overlevering is Thomas na de dood van Jezus naar het Oosten getrokken om de Perzen te gaan bekeren. Hij zou op die tocht ook de drie koningen uit het Kerstverhaal hebben ontmoet, bekeerd en tot bisschop gewijd. Hij is helemaal tot aan de Zuidwestkust van het huidige India gekomen, waar nog altijd Thomas-christenen wonen, nakomelingen van de dopelingen van Thomas.
Hij sterft daar op 3 juli van het jaar 72, neergestoken door een heiden met een lans. Zijn stoffelijk overschot is later naar Edessa in Syrië gestuurd en nog later via Griekenland naar Ortona (Italië) waar het nog altijd rust in de Sint-Thomas kathedraal.
De apostel die algemeen bekend is geworden als de ongelovige, is vreemd genoeg tot in India gereisd om de geloofsboodschap van Jezus van Nazareth te verkondigen. Wat is dan dat ongeloof van Thomas? Niet het gebrek aan vertrouwen in de kwaliteiten van zijn vriend; hij gelooft oprecht dat Jezus een heel bijzondere mens is. Iemand die je leven richting geeft, iemand die de waarheid in persoon is, iemand die grote levenskracht heeft en schenkt. Misschien zou je kunnen zeggen dat Thomas wél in de mens Jezus gelooft, maar het moeilijk vindt om in God te geloven die deze goddelijke mens, zijn geliefde Zoon, laat sterven aan het kruis. Als Thomas zegt: "Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen", dan zijn dat niet de woorden van iemand die nonchalant zijn ongeloof betuigt. Het zijn de bewogen woorden van een man die tot op zijn grondvesten geschokt is door de dood van de vriend.
Thomas is zo diep geraakt, dat hij geen genoegen neemt met zweverige praatjes over verschijningen. Hij wil zeker weten dat het geen hallucinatie, of een vage dagdroom van de andere leerlingen is. Daarvoor is het te ingrijpend. Daarvoor is Jezus hem te lief. Thomas wil harde bewijzen. Dan pas kan hij over de gruwelijke dood van Jezus heen kijken. Dan pas kan hij geloven dat zijn vriend leeft voorbij de dood.
"Zien is geloven". Het is niet voor niets een bekend spreekwoord. Zo zitten mensen blijkbaar in elkaar. Iets geloven dat je niet met eigen ogen hebt gezien, krijgen wij maar moeilijk voor elkaar. Hoe belangrijker de gebeurtenis, hoe meer we erop staan om niet met vage praatjes te worden afgescheept. Misschien is dat soort ongeloof - als het voortkomt uit oprechte betrokkenheid - niet zo erg. Geloof in God en opstanding is tenslotte niet zomaar iets. Het bepaalt hoe je leeft en wie je ten diepste wilt zijn. Voor zulke zaken van levensbelang neem je geen genoegen met "van horen zeggen".
