De Heilige Walburgis
De heilige Walburgis, of Walburga, wordt rond 710 geboren in het zuiden van Engeland. Ze is de dochter van Richard van Engeland, een Engelse onderkoning. Als Richard met zijn twee zonen op pelgrimstocht gaat naar het Heilig Land, vertrouwt hij de dan 11-jarige Walburgis toe aan het klooster Wimborn in Zuid-Engeland waar ze later intreedt en 26 jaar verblijft.
In die periode krijgt Walburgis een uitstekende opleiding. Zeker voor een vrouw in de Middeleeuwen. Maar dat is dan ook nodig voor de zware taak waarop ze wordt voorbereid. Het is namelijk de bedoeling dat zij, samen met haar broers Willibald en Wunibald, hun oom Bonifatius gaat helpen. Zijn neven en de nicht worden naar hem toegestuurd in de Germaanse gebieden om hem te helpen het christendom te verspreiden onder de heidense bevolking. Walburgis is dus een dochter uit een familie van missionarissen, een "familie van zwervers omwille van Christus". (Bonifatius schijnt overigens de eerste missionaris te zijn geweest die ook vrouwen inzette om het geloof te verspreiden.)
Bonifatius ziet in dat hij als rondtrekkende priester alleen tijdelijk invloed op de mensen kan uitoefenen. Wanneer hij weer vertrekt, hebben ze de neiging om toch weer terug te vallen in hun oude heidense gebruiken. Daarom besluit hij op allerlei plaatsen in het huidige Duitsland kloosters te stichten van waaruit de missionering beter kan worden georganiseerd. Zo wordt Walburgis abdis van het vrouwenklooster van Heidenheim, een kleine 100 km ten noorden van Augsburg, vlakbij haar lievelingsbroer Wunibald die daar abt is van het mannenklooster. Na zijn dood neemt zij ook zijn klooster onder haar hoede en onder haar bestuur groeit de abdij uit tot een centrum van christelijke cultuur en liefdadigheid.
Walburgis sterft op 25 februari 777 in Heidenheim waar ze begraven wordt naast haar broer. Na de dood van de tweede broer bijna 10 jaar later, in 786, verflauwt de Walburgis-devotie en raakt ze een beetje in de vergetelheid. Haar graf wordt verwaarloosd en de kerk en het klooster vervallen tot puin.
In 870, bijna een eeuw later, wanneer de toenmalige bisschop Otkar de kerk wil restaureren, springen de werkmannen wat al te nonchalant om met haar graf. Daarom krijgt de bisschop een verschijning van Walburgis die hem vermanend toespreekt. Hij besluit daarop haar relieken over te brengen naar de kerk in Eichstätt, zo'n 45 km ten oosten van Heidenheim, die vanaf die tijd de Sankt Walburgiskerk heet.
Op een bepaald moment wordt de kist van Walburgis geopend om een gedeelte van de relieken naar een andere kerk te verplaatsen. Haar lichaam wordt dan aangetroffen, badend in een kostbare olie. Die olie is kleurloos, helder en ruikt niet. Hij wordt sindsdien opgevangen in schalen en kruikjes en verkocht als zogenaamde Walburgis-olie en schijnt een geneeskrachtige werking te hebben bij o.a. oogkwalen, hoest en bloedingen. Verder werd Walburgis ook aangeroepen tegen waanzin, de pest, muizen- en rattenplagen en tegen hondenbeten en hondsdolheid. Dat laatste gaat terug op een legende die vertelt hoe zij op een dag naar een kasteel gaat om de doodzieke dochter van een edelman te verzorgen. Nou leefde er in de omgeving van het kasteel een roedel woeste honden die iedere bezoeker naar de strot vlogen. Wanneer de ophaalbrug wordt neergelaten, laten ze Walburgis echter keurig passeren. En zij geneest het meisje.
Walburgis wordt vaak afgebeeld met een kruikje met haar geneeskrachtige olie.
