De Heilige Willibrord

willibrord

7 november is de gedenkdag van de heilige Willibrord. Hij wordt geboren in 658 en al als zevenjarige jongen door zijn vader toevertrouwd aan een klooster nabij York in Engeland, omdat zijn vader zelf als kluizenaar wil gaan leven. Daar groeit Willibrord op onder invloed van Sint-Wilfridus, de bisschop van York. Wilfridus verzet zich tegen de heersende Keltische traditie en is een voorstander van de Romeinse ritus. Op zijn 20ste vertrekt Willibrord naar Ierland. Daar studeert hij en leeft hij onder een streng kloosterregime. Tien jaar later in 688, hij is dan 30 jaar oud, wordt hij tot priester gewijd.
In 690 komt Willibrord aan land bij de toenmalige monding van de Rijn waar tegenwoordig Katwijk ligt. Samen met een groep collega's wil hij zich inzetten voor de verspreiding van het christendom in het land van de Friezen, de bewoners van de kuststrook van de Westerschelde tot bij Dokkum. Hun gebied grenst aan het territorium van de Frankische vorsten die twee eeuwen eerder onder koning Clovis het christelijke geloof hebben aangenomen. Er is geen sprake van een vaste grens, want door telkens oplaaiend krijgsgeweld schuiven óf de Friezen een stukje naar het zuiden óf de Franken naar het Noorden. Tijdens een Frankische succesperiode had een Frankische vorst in 630 het eerste kerkje in Utrecht laten bouwen op de plaats waar nu de Dom staat, maar dat werd kort daarop door de Friezen verwoest. Kortom, de Franken willen hun gebied uitbreiden en daarbij hoort dat de Friezen tot het Christendom bekeerd worden.
Nou hadden voorgangers van Willibrord ervaren dat het bekeren van de Friese heidenen geen eenvoudige zaak was. Daarom en in tegenstelling tot de missioneringpraktijk van de Iers-Schotse monniken, die bij de evangelisatie geen systeem hanteerden, organiseert Willibrord zijn missionering pragmatisch en doordacht. Zo zoekt hij eerst de bescherming van de bestuurder van het Friese rivierengebied rondom Utrecht dat pas op de Friese koning Radboud was veroverd. Ook verzekert hij zich van pauselijke goedkeuring. Na twee moeilijke reizen naar Rome wordt hij in 695 tot aartsbisschop der Friezen gewijd, waarbij een oud Romeins fort in de Utrechtse binnenstad zijn zetel wordt. Bij zijn wijding krijgt Willibrord van de paus de voornaam Clemens toegekend.
In 696 vestigt Willibrord zich in Utrecht. Daar herbouwt hij het door de Friezen verwoeste kerkje en geeft hij opdracht tot de stichting van een nieuwe kerk. Vanuit Utrecht trekken vervolgens missionarissen het land van de Friezen in. Met succes, want aan het einde van Willibrords leven - hij sterft in 739 - is het nieuwe geloof in de kuststreek aan de winnende hand.
De bekeringsmethode van Willibrord is bepaald niet altijd zachtzinnig. Om de Friezen duidelijk te maken dat hun goden niets voorstellen worden heilige eiken omgehakt, godenbeelden stukgeslagen en heilige bronnen ontwijd. Daarin is hij overigens geen uitzondering. Deze werkwijze wordt zelfs in een richtlijn van paus Gregorius I (590-604) aan missionarissen aanbevolen. Deze drastische bekeringsmethode wordt toegepast om daarmee de macht van de christelijke God en de onmacht van de Germaanse goden aan te tonen. Er kwam immers geen straffende bliksemstraal van Wodan uit de hemel om de "schenners" van de Friese heiligdommen te doden!
Na jaren van dit soort inspannende arbeid trekt Willibrord zich terug in de door hem gestichte abdij van Echternach in Luxemburg. Willibrord zelf heeft ons nauwelijks teksten nagelaten. Hij was een man van de praktijk. Een echte missionaris die er op uit trok om het geloof te verkondigen, te dopen en kerken en kloosters te bouwen.
Hij overlijdt op 7 november 739 op 81-jarige leeftijd. Hij wordt op eigen verzoek begraven in Echternach. Daar ligt hij tot op heden in de crypte van de basiliek van de abdij. De bekende springprocessie in Echternach (3 stappen vooruit, twee naar achteren) op de dinsdag na Pinksteren gaat naar het graf van Willibrord.

In legendes over Willibrord spelen waterbronnen en putten een grote rol. De Friezen, de heidenen die Willibrord wilde bekeren, vereerden heilige bomen, stenen en bronnen. De Joodse traditie waaruit het Christendom voortkomt is daar echter ten zeerste op tegen. Dat wordt beschreven in het Bijbelboek Exodus. Wanneer Mozes de berg opklimt om de geboden van God te ontvangen dan wacht het volk een tijd op Mozes. Maar als hij maar niet van de berg afkomt, eisen ze van Aäron: 'Maak een god voor ons' Aäron doet dat. Van hun gouden sieraden maakt hij een beeld in de vorm van een stierkalf. En dan roept het volk riep uit: 'Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!'
Mozes is ziedend als hij het ziet. Een beeld mag nooit aanbeden worden. Dat is het eerste gebod dat God hem heeft meegegeven op de berg: maak geen godenbeelden. Die regel dat je niets of niemand mag verafgoden is van levensbelang voor de Joodse traditie. En het geldt ook voor het Christendom, tot op vandaag. Deze regel is eigenlijk bedoeld om ons te beschermen. Niets of niemand, geen ding, geen mens is God. De God die wij uit de Joodse traditie hebben meegekregen heeft geen gezicht, geen lichaam, zelfs geen naam. Als Mozes vraagt hoe die God heet, zegt Hij alleen maar "Ik zal er zijn".
Die God heeft uiteindelijk voor Christenen een gezicht, een lichaam, een naam gekregen in de persoon van Jezus van Nazareth. Die heeft ons op een menselijke manier voorgedaan wat dat betekent "ik zal er zijn". "Er zijn voor mensen" houdt in dat je ijvert voor rechtvaardigheid, dat je vrede sticht, dat je eerlijk bent, dat je anderen het goede toewenst, dat je elkaar het leven niet onmogelijk maakt, dat je niet heerst over anderen, dat je mensen die op je pad komen niet aan hun lot overlaat. Dat is het enige gezicht van God.

Wanneer in de Hasseltse Kapel vieringen zijn rondom heiligen, wanneer mensen er een kaarsje aansteken bij Maria, dan is dat omdat wij door en met die persoon een stapje dichter proberen te komen bij de God van "er zijn". Mensen worden heilig omdat ze iets van dat "er zijn" van God over de wereld hebben laten stralen. Als Willibrord Christus als de enige en eeuwige bron stelt tegenover de heilige bomen en bronnen van de Friese natuurvereerders, dan heeft hij het over onze traditie die zegt dat onze God een God van mensen is. Dat wij een God hebben die zonder onderscheid des persoons zegt: "Als je daarom vraagt, dan zal ik er zijn voor jou".